U bent hier:Home Onderwerpen Opsporing en handhaving Particuliere beveiliging en recherche
Het oprichten van een particulier beveiligings- of recherchebureau is niet zomaar toegestaan. In de wet zijn hiervoor regels vastgelegd. Ook voor de leidinggevenden, het personeel en de uniformen van dergelijke bedrijven is in de wet een en ander vastgelegd. In dit onderdeel vindt u hierover meer informatie.
De regelgeving voor particuliere beveiligingsorganisatie is opgebouwd uit een Wet, een Regeling en een Circulaire. De Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Stb. 1997, 500) geeft het algemene kader en laat een aantal onderwerpen ter nadere regeling over aan de minister van Justitie. Die invulling van de minister is te vinden in de Regeling. De Circulaire bevat beleidsregels.
In de WPBR ligt een vergunningenstelsel voor beveiligingsorganisaties en recherchebureaus besloten. Beveiligingsorganisaties en recherchebureaus hebben een taak bij het voorkomen van criminaliteit. Met die taak zijn belangen gemoeid, te weten:
Bij verzoeken van particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus uit andere lidstaten van de Europese Unie wordt rekening gehouden met eisen waaraan in het land van vestiging is voldaan. Deze eisen moeten wel een beroepsniveau waarborgen dat te minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de eisen in de Wet, Regeling en Circulaire wordt nagestreefd.
Artikel 1 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus(WPBR)geeft een definitie van een beveiligingsorganisatie, te weten: "Een door een of meer personen in stand gehouden particuliere organisatie die gericht is op het verrichten van beveiligingswerkzaamheden".
Beveiligingswerkzaamheden worden in artikel 1 van de Wet gedefinieerd als "Het bewaken van de veiligheid van personen en goederen of het waken tegen verstoring van orde en rust op terreinen en in gebouwen". Blijkens de memorie van toelichting bij de Wet gaat het daarbij om activiteiten die (mede) zijn gericht op het voorkomen van criminaliteit.
De vraag of er sprake is van een beveiligingsorganisatie moet worden beantwoord aan de hand van de werkzaamheden zoals die concreet door een organisatie worden verricht. Daarbij zal de wijze waarop de werkzaamheden zijn georganiseerd een rol spelen. Verder kunnen - onder meer - het al dan niet optreden bij onregelmatigheden en de uiterlijke kenmerken van de medewerkers in aanmerking genomen worden, bijvoorbeeld het dragen van uniforme kleding en het gebruik van portofoons of andere communicatieapparatuur.
Het in stand houden van een beveiligingsorganisatie zonder vergunning is op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus verboden en strafbaar gesteld in artikel 1, sub 4, van de Wet economische delicten.
Er zijn verschillende soorten beveiligingsorganisaties, namelijk beveiligingsbedrijven (die beveiligen voor derden), bedrijfsbeveiligingsdiensten (die beveiligen alleen de eigen organisatie), geld- en waardetransportbedrijven en particuliere alarmcentrales.
De definities van de verschillende soorten zijn te vinden in artikel 3 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
Artikel 1 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus geeft een definitie van een recherchebureau, te weten: "Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf met winstoogmerk recherchewerkzaamheden verricht, voor zover die werkzaamheden worden verricht op verzoek van een derde, in verband met een eigen belang van deze derde en betrekking hebben op een of meer bepaalde natuurlijke personen".
Recherchewerkzaamheden worden in artikel 1 van de Wet gedefinieerd als: "Het vergaren en analyseren van gegevens". Particuliere recherchebureaus doen onderzoek op verzoek van een opdrachtgever, in het private domein. Het zal daarbij veelal gaan om onderzoek naar feiten en omstandigheden die de opdrachtgever op enige wijze schade toebrengen of zouden kunnen toebrengen, of feiten die anderszins onrechtmatig jegens de opdrachtgever kunnen zijn. Te denken valt aan onderzoek in verband met een vermoeden van fraude, gepleegd door mede- werkers van een bedrijf, de naleving van concurrentiebedingen, het natrekken van sollicitanten en het verzamelen van bewijs in verband met ontslagzaken. Vaak zullen dergelijke feiten tevens onder de omschrijving van een strafbaar feit vallen, maar dat is niet de invalshoek voor de particuliere recherche.
Particuliere recherche dient niet primair een strafrechtelijk of strafvorderlijk doel. De reactie op het onderzoek zal in de private sfeer liggen (bijvoorbeeld een ontslag of een regeling tot het betalen van schadevergoeding). Recherchebureaus houden zich niet bezig met strafvorderlijke opsporing. Die taak is voorbehouden aan politie en buitengewone opsporingsambtenaren, aan wie daartoe bij wet exclusieve bevoegdheden zijn verleend.
Het in stand houden van een recherchebureau zonder vergunning is op grond van artikel 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus verboden en strafbaar gesteld in artikel 1, sub 4, van de Wet economische delicten.
Sinds 1 juni 2004 zijn recherchebureaus verplicht de Privacygedragscode particuliere onderzoeksbureaus te hanteren. Deze gedragscode is oorspronkelijk opgesteld door de brancheorganisatie, in nauw overleg met de overheid. In januari 2004 heeft het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) verklaard dat de privacygedragscode een juiste uitwerking vormt van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) en andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens. Vervolgens heeft de minister van Justitie besloten deze privacygedragscode deel uit te laten maken van de regelgeving die geldt voor alle particuliere recherchebureaus. In verband daarmee is de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus aangepast en is de privacygedragscode als bijlage bij deze Regeling opgenomen.
De gedragscode beschrijft de praktijk van het particuliere onderzoek en geeft daar normen voor. Beschreven wordt wat bij het uitvoeren van onderzoek mag en wat niet mag, wat de rechten zijn van degene die onderzocht wordt, hoe moet worden omgegaan met persoonsgegevens, et cetera. De meest voorkomende methoden van onderzoek worden behandeld, zoals het interviewen van personen, observatie, heimelijke observatie door middel van camera’s en het meeluisteren en opnemen van (telefoon)gesprekken.
De procedure voor een verzoek om erkenning van EG-beroepskwalificaties voor particulier beveiliger, horecaportier, evenementenbeveiliger, voetbalsteward, ongeüniformeerd persoonsbeveiliger, ongeüniformeerd winkelsurveillant, particulier rechercheur, alarminstallateur en alarmcentralist is beschreven in de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Deze regeling is te vinden via www.overheid.nl.
Een verzoek moet worden gericht aan:
Ministerie van Justitie
Dienst Justis, Afdeling BTR
Postbus 20300
2500 EH Den Haag
Bij het verzoek moeten in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden worden overgelegd:
een verklaring omtrent gedrag afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.
De gegevens en bescheiden onder punt 3 t/m 7 dienen indien zij in een andere taal zijn gesteld dan de Nederlandse taal, vergezeld te gaan van vertalingen in het Nederlands. Deze vertalingen dienen te zijn opgesteld door een beëdigd tolk of vertaler.
Na ontvangst van het verzoek wordt beoordeeld of het compleet is. Wanneer dat niet het geval is wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld het verzoek aan te vullen en te verbeteren. Als het verzoek compleet is wordt het beoordeeld. Er hoeven geen leges betaald te worden.
De beroepskwalificaties worden erkend indien is voldaan aan de vereisten van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en de door de aanvrager in het kader van diens opleiding gevolgde vakken niet wezenlijk verschillen van de vakken die onderdeel vormen van de Nederlandse opleiding of deze verschillen in voldoende mate worden overbrugd door kennis en ervaring die de aanvrager tijdens de uitoefening van het beroep heeft verworven, danwel door een compenserende maatregel.